DE KABOUTERVERHUIZING

"Haal me hier weg!” De kleine kabouterstem klonk wanhopig. "Haal me hier weg!” De vrouw was verbaasd. Al die tijd dat ze langs zijn boom was gelopen, had ze nooit meer dan een stug "mogge” gekregen als antwoord op haar vriendelijke groet. Die boerenkabouters waren al net zo stug als de boerenbevolking, had ze soms gedacht. En nu dit. Ze snapte het wel. Het maisveld naast de tuin werd weer bemest. Over enkele uren kwam de grote machine weer rakelings langs de boom, die niet ver van de erfafscheiding stond. Ze overlegde met haar man..
 
Samen besloten ze een stukje te gaan fietsen, om in het nabijgelegen bos te kijken of er een geschikte plaats te vinden was.  In het bos zelf lukte dat niet. Er was meer kabouterbewoning dan ze hadden gedacht, een vrije boom vonden ze niet. Maar langs het zandpad, met aan de ene kant een parkachtige, omheinde tuin en aan de andere kant een open, braakliggend veld, stond een eerbiedwaardige rij beuken. Ze zochten een mooie, oude boom uit. Maar de kabouter die er bleek te wonen, wees hen op de naastliggende beuk. Daar woonde niemand. En ja, hij wilde wel een buur, als die maar geen overlast gaf.  
 
Verheugd bracht de vrouw verslag uit aan kabouter Wigboldus in hun tuin. "Je hoeft niet zin voor zin te denken,” onderbrak hij de gedachtenstroom waarmee ze hem op de hoogte wilde brengen. "Denk maar in beelden, dan weet ik het wel. Dat gaat veel vlugger.” De verhuizing leek hem een goed idee. Maar hoe verplaats je een kabouter die gehecht is aan zijn plek? Gedrieën besloten ze dat haar man een tak van zijn boom zou afzagen. Daarop zou de kabouter vervoerd worden, in de fietstas. Met hun ongebruikelijke passagier gingen ze op pad. Bij de beukenboom aangekomen, legde de man de tak zo naast de boom neer, dat de kabouter erop kon zitten om uit te kijken over het veld. Hij toonde zich zeer tevreden. 
 
Enkele weken later besloten ze de kabouter eens op te zoeken, om te kijken of het nog steeds een goede beslissing was. Die had het naar zijn zin. Kabouterbuurman Gregorius was oud, ze woonden erg op zichzelf, maar waardeerden het dat ze in elkaars buurt woonden. Soms maakten ze een praatje, vertelde Wigboldus. Het was goed zo, hij wilde echt niet terug. Niet naar de plek, zo dicht bij het maisveld. En ook niet naar de nabij wonende kobolden die hem vaak plaagden. Dat wisten de man en de vrouw nog niet. 
 
Die zomer gingen het echtpaar een weekje op vakantie. Een goede vriendin paste op het huis. Ze had haar stoel naast het opschietende mais onder de beukenboom gezet, half in de schaduw, half in de zon. Tot haar verbazing zag ze een donkere gedaante van ongeveer een meter hoog naar haar toe komen. "De kabouter is weg,” zei hij. Daarna verdween hij uit het zicht. Ze wist niet eens dat er een kabouter was geweest. Pas toen ze het voorval na de vakantie vertelde en het verhaal van de kabouterverhuizing hoorde, besefte ze dat ze dus een kobold had gezien...