DE WEZENTJES VAN DE PERENBOOM

"Ik mis de perenboom zo, ik mis de perenboom zo!” De vrouw begon te huilen, wel een uur lang. Maar toen realiseerde ze zich dat er helemaal geen perenboom was in de tuin van het huis waar ze nog niet zo lang woonde, laat staan dat ze hem kon missen. Het was vlak na de winter. Ze had net een halve meter opgewaaid beukenblad bij de schuur weggehaald, zodat de bolletjes en plantjes vrij konden groeien. "Heeft hier vroeger een perenboom gestaan?”vroeg ze de man, waarmee ze net was getrouwd. "Ja,” beantwoordde de man haar vraag. "Die hebben we moeten weghalen. De groei was eruit, er kwamen helemaal geen peren meer aan.”  

 De volgende dag kwam haar vriendin. De vrouw vertelde van haar vreemde huilbui, terwijl ze samen naar de plek liepen, waar de eerste bolletjes zichtbaar waren. "Ik zie wat,” zei haar vriendin. "Tien kleine, elfachtige wezentjes liggen daar verslagen op de grond.” "Ik haal even een kristal uit huis,” zei de vrouw, "dan kunnen ze daarmee weer op krachten komen. Later moeten we dan maar zien hoe we ze kunnen helpen.”

De vrouw vertrok niet lang daarna met haar man, haar vriendin achterlatend om op het huis te passen.  

Toen ze na het weekend terugkwamen, vertelde hun vriendin dat ze de overleden vrouw van de man had gezien, met een witte zomerhoed op, die de wezentjes voorzichtig hielp en ze een voor een in de Magnoliaboom zette. Woordeloos liep de vrouw naar boven, naar de zolder. In een kast waren nog wat spullen van haar overleden voorgangster. Ze haalde er een witte hoed uit, die ze meenam naar beneden. "Heb je deze hoed gezien?” vroeg ze haar vriendin. Die knikte alleen maar instemmend.