ELFEN EN FEEËN

Het kleine meisje keek verwonderd om zich heen. Een prille lente had allemaal bloemen te voorschijn getoverd in de tuin. Ademloos keek ze naar het blauwpaars en geel van de krokussen, naar de narcissen en de vroege tulpen, die na een lange winter nu allemaal tegelijk in bloei stonden. Ze bewonderde de geurende narcissen, toen ze opeens zag hoe bloemenelfjes dansten boven de bloemen. Hun kleuren leken te verlevendigen door het dansen van de elfen.
 
"Ooohh,” verzuchtte het meisje, "wat zijn jullie mooi!” En dat waren ze ook. Hun ijle, gazen vleugeltjes glansden in de zon, in de allerfijnste, allerteerste kleuren van de regenboog. Verschrikt keken de elfjes naar het kleine meisje dat hen kon zien. Mensen hadden zo vaak en zo grof de natuur vernield, dat ze het maar een veilig idee vonden dat ze hen niet konden zien. En nu werden ze toch gezien, door een klein meisje nog wel.
 
"Vind je ze mooi?” vroeg een stem naast haar, die klonk als een klokje. Verbaasd keek het kleine meisje naast zich, waar de stem vandaan kwam. "Oh, u bent een fee!’ riep ze uit. "Jazeker, dat ben ik. En ik kan toveren wat je maar wilt, omdat jij zo’n klein lief meisje bent. Dat hoorde ik van de kabouters. Ze vroegen me of ik hen kon helpen, want ze willen je graag bedanken dat je hen hebt geholpen met het behoud van hun boom. Wat zou je willen hebben?” "Ik hoef niets te hebben,” antwoordde de kleine meid, "want ik heb alles al. In de winter heb ik een slee, in de zomer een fiets en een boomschommel. Ik heb een bal en boeken en puzzels. Ik hoef niets. Maar mag ik wat vragen?” ”Natuurlijk,”  antwoordde de fee vriendelijk. "Kunt u mij vertellen van heel de wonderlijke wereld waarin u leeft, samen met de bloemenelfjes?” "Natuurlijk, je mag zelfs mee naar ons paleis, want er is vanavond juist een feest. Als je vanavond in je bedje ligt, kom ik je halen, goed?” 
 
En zo geschiedde. De vader en de moeder van het meisje waren verbaasd dat hun dochtertje uit zichzelf vroeg of ze haar tanden mocht poetsen en naar bed kon gaan. Dat gebeurde nooit. Maar het mocht en vroeg, maar klaar wakker, lag de kleine meid met schitterende ogen van blijde verwachting te wachten op wat ging komen. De fee kwam, zodra de ouders de slaapkamer hadden verlaten. Ze had haar toverstaf bij zich. In een mum van tijd had het kleine meisje een feestjurk aan, glanzend als die van de fee zelf, in de mooist schitterende kleuren, alsof de zon er op scheen. En toen gingen ze. Zó was ze nog in haar bedje, en zó waren ze in het paleis, er zat geen tijd tussen.
 
Daar keek de kleine meid haar ogen uit. Padden stonden voor de ingang de gasten op te wachten.  Duizenden glimwormen verlichtten de zalen en de gangen. De schitterendste kleuren waren te zien en een veelheid aan feeën en elfen waren vrolijk babbelend bijeen, wachtend op de binnenkomst van hun koning en koningin. En daar waren ze, de mooisten en de grootsten van allemaal, schitterend gekleed in ragfijne kleren, die nog mooier glansden en straalden dan die van alle aanwezigen. Het feest kon beginnen. Er werd gedanst en gezongen, bloemen-nectar uitgedeeld en honingdauw geserveerd. Iedereen lachte en praatte en was vrolijk.
 
Toen kreeg het kleine meisje slaap. De fee bracht haar vlug terug naar haar bedje.  De volgende morgen vertelde ze enthousiast over het feeënfeest. "Je hebt gedroomd”,  zeiden haar ouders alleen maar. Teleurgesteld besloot het meisje de grote mensen nooit weer iets te vertellen van haar avonturen. En weer had een mensenkind zich toegesloten voor de wonderlijke wereld, die echt bestaat, maar die alleen te zien en te beleven is door mensen met een puur hart en een open blik.