HET KABOUTERHUIS

"Je zult zien dat de wereld er heel anders uitziet,” zei de man tegen zijn dochtertje. Het dochtertje keek uit het raam en ja hoor, de hele wereld was betoverend wit. "Sneeuw!” juichte ze. Ze wilde meteen naar buiten. "Eerst een boterham,” besliste haar vader, "en wat drinken. Daarna mag je naar buiten.”

Na het ontbijt stapte de kleine meid op haar parmantige rode laarsjes de betoverend witte wereld tegemoet. Sneeuw lag op de straten, op de daken van de huizen, op de muurtjes en de struiken. Alles had een nieuwe tover, een nieuwe glans. Ze was zσ blij, dat ze vergat te spelen. Ademloos keek ze toe hoe de zon glinsteringen maakte in de verse sneeuw.  En toen zag ze hem. Een klein mannetje, niet groter dan zo’n 30 centimeter, keek haar aan van onder een hoge boom in de tuin. Hij had een puntmuts op, een dikke neus, rode appelwangen, een buis van groen en een broek van blauw.

"Een kabouter,” besefte het meisje, "ik kijk naar een kabouter.” "Dat klopt,” weerklonk het binnen in haar, "ik woon in deze tuin en jij woont hier in dit huis.”  "Ik kan praten met hem vanuit mijn eigen binnenste,” besefte ze nu, "we kunnen echt praten samen.” "Wil je mijn huisje zien?” vroeg de kabouter. "Jawel, maar ik ben toch veel te groot?” antwoordde ze. Daar wist de kabouter wel wat op. Voor ze het besefte, was ze net zo groot als de kabouter en kon ze mee naar binnen. De deur, goed verborgen tussen de boomwortels, zwaaide open. Binnen was het licht en helder. Ze keek haar ogen uit. Houten meubeltjes, versierd met houtsnijwerk, glansden haar tegemoet. Op tafel stond een pot met dampende thee klaar. "Frambozenbladeren,” rook ze, "lekker.” De kopjes stonden eromheen. "Wil je een kopje?” vroeg haar gastheer. "Graag,’ antwoordde ze.  Ze dronk de thee met kleine slokjes en keek nieuwsgierig om zich heen.

Toen pas zag ze een vrouwelijke kabouter in de hoek van de kamer, samen met twee kindjes, schommelend in een wieg. "Oh, wat schattig!” riep ze uit. Ze mocht de wieg schommelen en maakte de kleintjes aan het lachen. Ze waren helemaal niet bang voor haar. "Ik wil je wat vragen,” zei de vader kabouter nu. "Je weet dat je vader de boom wil omzagen, omdat hij zo groot wordt. Maar daar leven wij, daarom heb ik me laten zien aan jou en je meegenomen naar binnen in ons huis. We wonen hier en we hebben het goed. Bovendien zorg ik niet alleen voor de boom, maar ook voor de planten en struiken in de tuin. Ik help hen hun levenskracht vormen, zodat ze goed kunnen groeien en bloeien.

Eigenlijk moet je vader dit weten, maar hij ziet me niet. Hij gelooft niet in het bestaan van  kabouters en dan ziet hij niets. Jij wel, daarom kon je me zien en met me mee. Zou jij je vader willen vragen of hij de boom alleen een beetje uitdunt en snoeit, maar wel laat staan? Hij weet niet eens dat er een boomwezen leeft in de boom, die nu erg bang is voor wat er gaat gebeuren.” Dat beloofde het kleine meisje graag. Ze nam afscheid en stapte weer naar buiten, begeleid door de kabouter.  Ze keek nog eens om en wθg was hij, verdwenen voor haar ogen als sneeuw voor de zon.

Even was ze verbaasd. Toen snapte ze het, want achter haar was de stem van haar vader. "Waar was je nou?” vroeg hij. "Ik heb de slee al gepakt. We gaan lekker samen sleetje rijden op de berg.” "Ik was hier, onder de boom, bij de kabouters op visite,” antwoordde zijn dochtertje parmantig. "Je fantaseert,” besliste de vader, "kabouters bestaan niet.” "Wel hoor,” zei zijn dochtertje daarop. "Ik kan ze zien en met ze praten en met de kabouterkindjes spelen.”  "Daar geloof ik niets van,”  antwoordde de vader "Waar was je echt?” "Daar, onder de boom, daar is hun huis,” zei zijn dochtertje. "Je mag de boom niet omhakken, want dan gaat hun huis kapot. En het boomwezen is heel verdrietig. Ik moest je vragen de boom alleen te snoeien en uit te dunnen. Wil je dat? En anders heb ik ook geen boomschommel meer in de zomer. En jullie hangmat kun je dan ook niet meer vastmaken. Mag hij blijven?” ”Vooruit dan maar,” zei de vader. "Maar nu gaan we sleeλn. Het is zulk mooi weer.”  

Ze gingen op pad, niet wetend dat ze werden nagekeken door twee dankbare kabouters, hun kindjes op de arm.