KABOUTERS...

De nieuwe dag brak aan. Zonlicht filterde door de bomen de tuin binnen, waar de vogels hongerig wachtten op kruimeltjes brood en zaadjes. De winterdag was sprookjesachtig begonnen. Rijp lag op de bomen. De sneeuw kleurde rose en goud. Op een tak zaten twee merels. Ze wilden beide als eerste bij de nieuw aangereikte maaltijd zijn. Zoals een goed merel betaamt, joeg de een de ander onophoudelijk van zijn plaats. Een derde merel deed zich ondertussen te goed aan het pas verstrekte voedsel. Het was een wonder dat er geen ruzie uitbrak. Vijf hongerige kraaien zaten te wachten op hun beurt, tot het veilig genoeg was. De duiven waren al net zo schrikachtig. Mensen voederden ze wel, maar beide soorten werden vaak ook fel bejaagd, dus groot was hun vertrouwen in de mens niet.
De zangvogeltjes dachten daar anders over. Vlug gingen ze heen en weer, met iedere keer iets lekkers in hun snavel.
En de eekhoorn? De zon had hem wakker gemaakt uit zijn winterslaap. Hij kwam een nootje verschalken.
 
De man en de vrouw zaten binnen te genieten van het schouwspel.  Toen ging de telefoon. Een smakelijke stem schotelde hem de meest fraaie zaken voor. Mensen moesten op hun hoede zijn, net als de vogels, bedacht de man. Anders liepen ze met open ogen in valkuilen, waar ze jaren last van zouden hebben. De bel-me-niet mogelijkheid via internet was een goede manier om verlost te worden van telefoonterreur, vond de vrouw. Ze bleven rustig zitten kijken naar de vogels. "Nu is het mijn beurt, " zei de vrouw, toen de telefoon wederom ging. Voorbereid op een volgend ‘nee’ nam ze hem aan. Tot haar verbazing was het de stem van haar dochter. "Mam, vind je het goed dat we straks langs komen? We zijn in de buurt.” Wat een verrassing! Vlug zorgden ze dat alles klaar was voor de komst van haar dochter met aanhang.
 
Korte tijd later vulde de gang zich met gelach. "Mam, ik heb een nieuwtje,” viel haar dochter met de deur in huis. "We gaan emigreren, hebben we besloten.” De moed zonk haar in de schoenen. Ze kreeg meteen beelden van verre landen en dure vliegreizen, van gemis en eenzaamheid, omdat haar enig kind ver weg was. "Wat ben je van plan?” Haar man bleef iets rustiger. "Nou mam, pap, we komen dichter bij jullie wonen. Er is een huis vlak over de grens te koop, heel voordelig. De kinderen kunnen hier bij jullie op school. Lijkt jullie dat niet heerlijk?” Met open mond keken de ouders naar hun dochter. Nee, bij die mogelijkheid hadden ze niet stil gestaan.
 
En zo gebeurde. Luttele maanden later kwamen hun kleinkinderen iedere tussenschoolse mogelijkheid bij hen eten. Hun dochter kwam geregeld langs. Wat hadden ze het goed met elkaar! Totdat ze naar een verzorgingshuis moesten. Plotselinge ernstige ziekte had dat veroorzaakt. Weg waren hun plannen, hun dromen, het genieten van de vogels in hun tuin. In plaats daarvan wachtte hen een kamertje, een keukentje, een te kleine slaapkamer in een oudere mensen pakhuis, zo voelde dat. Weer zonk de moed hen in de schoenen. Maar ze waren gewend zich door iedere tegenslag heen te werken, zich staande te houden in de moeilijkheden des levens, dus zonder klagen bereidden ze zich voor op vertrek... 
 
"Maar dat hoeft helemaal niet,” klonk een klein stemmetje op een ochtend vroeg, toen de vrouw net wakker werd. "Wat hoeft niet?” vroeg ze zich nog slaperig af. "Jullie hoeven niet weg. Wij zijn er toch ook nog?” Nu was ze klaar wakker. "Wij zijn wij?” dacht ze bij zichzelf. "Wij, dat zijn de kabouters in jullie tuin en in jullie huis. Wij wonen hier ook, net als jullie, maar dan wel heel veel langer. Kabouters worden veel ouder dan mensen, wist je dat? We hebben verstand van heel veel. We willen geen nieuwe mensen op deze plek. Wij willen jullie. Met liefde verzorgen jullie iedere winter de vogels, iedere zomer de tuin. We konden altijd met plezier hier wonen. We hebben nu besloten dat we iets terug willen doen, voor alles wat jullie hebben gedaan.” "Maar ik kan jullie niet eens zien, hoe zouden jullie dan kunnen helpen?” vroeg de vrouw. "O, we zijn heel goed in mensen aansporen om goede daden te doen. Ze denken dan dat ze dat zelf bedenken. Wacht maar af. Het enige wat nodig is, is dat jullie nadenken over welke zorg jullie nodig hebben, dan kan er heel veel,” besloot de kabouter. Toen was hij vertrokken, want ze hoorde niets meer.
 
En zo gebeurde het dat een stoet van hulpverleners op hun pad kwam, zonder dat ze ergens om vroegen. Een buurman bood aan om de tuin bij te houden. Nee, hij hoefde daar niets voor te hebben, zelfs geen dank je wel. Zijn vrouw kon de boodschappen meenemen, ze ging toch naar de supermarkt. Hun dochter kwam dichtbij wonen. Ze wilde toch liever vlak bij de school van de kinderen zijn. Zo kon ze mooi hun huisje ook een beetje schoonhouden. En konden ze hun tuinhuis niet afstaan? Ze wist iemand die een fijne, rustige plek hard nodig had, maar die niet kon betalen. Als die vrouw hier zou mogen wonen, wilde ze vast wel wat zorg verlenen, want ze was verpleegkundige. Zo loste het ene na het andere probleem zich op. Ze wisten niet wat hen overkwam. "Kabouters...” zei de vrouw op een dag. "Onzin,” bromde haar man. Maar zij wist wel beter...